Prestaties groepsverzekering zijn gemeenschappelijk bij echtscheiding

In 1999 heeft het toenmalige Arbitragehof de artikelen 127 en 128 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst (WLVO) ongrondwettig bevonden voor individuele levensverzekeringen. Recent heeft het Grondwettelijk Hof zich in een langverwacht arrest uitgesproken over de toepassing van deze artikelen op groepsverzekeringen.
De artikelen 127-128 WLVO regelen het huwelijksvermogensrechtelijk statuut van een levensverzekering en luiden als volgt: “
Art. 127. De aanspraken, ontleend aan de verzekering die een in gemeenschap van goederen getrouwde echtgenoot ten behoeve van de andere of van zichzelf heeft bedongen, is een eigen goed van de begunstigde echtgenoot.
Art. 128. Aan het gemeenschappelijk vermogen is geen vergoeding verschuldigd behalve voor zover de premiebetalingen die ten laste van dat vermogen zijn gedaan, kennelijk de mogelijkheden ervan te boven gaan.”
Arrest van 26 mei 1999
Een koppel is gehuwd onder het stelsel van gemeenschap van goederen. De man heeft een levensverzekering gesloten tot waarborg van een lening, maar waarvan hij ook de begunstigde is na de terugbetaling van de lening. De premies worden betaald met gemeenschappelijk vermogen. De man ontvangt het verzekerde kapitaal wanneer hij 65 jaar wordt. Ingevolgde de artikelen 127-128 WLVO is het uitgekeerde kapitaal een eigen goed van de man, zonder dat hij een vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen voor de premies die met dat vermogen werden betaald. De echtgenote vindt deze regel discriminerend. Het Arbitragehof volgt de echtgenote en verklaard de artikelen 127-128 WLVO ongrondwettig. Als de inspanningen van de echtgenoten tot uiting waren gekomen door de aankoop van effecten of door andere spaartegoeden, zouden deze gemeenschappelijk zijn geweest. Volgens het Hof kan niet worden verantwoord waarom een levensverzekering anders wordt behandeld.
Twaalf jaar later…
Twaalf jaar later heeft de wetgever de ongrondwettelijkheid nog steeds niet weggewerkt. Ondertussen woedde ook een discussie in rechtspraak en rechtsleer over de vraag of de artikelen 127-128 WLVO al dan niet van toepassing zijn op groepsverzekeringen. Het was onvermijdelijk dat het Grondwettelijk Hof zich vroeg of laat zou uitspreken over deze kwestie. De vraag kwam naar boven tijdens een echtscheidingsprocedure van een koppel gehuwd onder een stelsel van gemeenschap van goederen. In een kort arrest van 27 juli 2011 bevestigt het Grondwettelijk Hof dat beide artikelen van toepassing zijn op groepsverzekeringen. En opnieuw besluit het Hof tot ongrondwettelijkheid in Pagina 6 Assurinfo Nr. 24| Weekblad van 8 september 2011 de interpretatie dat het kapitaal van een groepsverzekering als een eigen goed wordt beschouwd. Het Hof stelt deze keer zeer duidelijk dat het kapitaal gemeenschappelijk is. Als argumentatie wordt aangehaald dat de bijdragen aan de groepsverzekering die door de werkgever worden betaald, deel uit maken van het loon, waardoor de prestaties van de groepsverzekering als inkomsten uit beroepsbezigheden worden beschouwd die krachtens het Burgerlijk Wetboek gemeenschappelijk zijn.
Wat nu?
Het recente arrest heeft één antwoord opgeleverd, maar doet veel nieuwe vragen rijzen:
- Het arrest spreekt van het “kapitaal” van de groepsverzekering, maar heeft betrekking op een echtscheiding, op een moment waarop het verzekerde kapitaal nog niet opeisbaar is. Dus wat is er nu precies gemeenschappelijk?
- Bovendien mag ook niet uit het oog verloren worden dat een groepsverzekering in de regel niet kan worden afgekocht.
- Wat bij een echtscheiding wanneer één echtgenoot een aanvullende groepsverzekering heeft, maar de andere echtgenoot een ambtenaar is en bijgevolg later een veel hoger wettelijk pensioen zal ontvangen? Het wettelijk pensioen is een eigen goed, de aanvullende groepsverzekering gemeenschappelijk. Is dit discriminerend? De vraag werd voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof, maar deze heeft ze niet beantwoord in haar arrest van 2011. …
De rechtsonzekerheid die al twaalf jaar bestaat, is door de recente uitspraak van het Hof niet verdwenen. Eén ding staat vast: de wetgever moet de problemen oplossen, zo snel mogelijk!




Reacties
Nieuwe reactie inzenden